
Zomerdag
De grond achter het huis is kurkdroog. Wanneer je stampt, komen er stofwolken omhoog waarmee je ‘woeste paarden op de prairie‘ kunt spelen, maar daar hebben we geen zin in. Moeder is binnen met de baby en boven horen we tante Marie stofzuigen in de slaapkamers. Alle ramen staan open. Er zitten geen vogels op het dak, er blaffen geen honden in de verte, er loeien geen koeien. Alleen boven de bessenstruiken naast het huis hangt het gezoem van insecten. Het is heel verschrikkelijk warm.
Aan de voorkant van het huis horen we de buurvrouw ijsjes verkopen. Je hoort de piepende remmen van fietsers, het belletje, het doffe dichtklappen van het deksel. De buurvrouw zit de hele dag met haar groene schort op een stoel in de donkere gang te wachten op vakantiegangers. Wij hebben daar niets mee te maken. Het gaat ons niet aan.
Wim is iets van plan. Dat kun je zien aan zijn houding. Rechtop, strakke nek, wakkere bril. We lopen achter hem aan de schuur in. Hij pakt de ladder en zet hem tegen de zolder aan. De laatste keer dat we op zolder waren, lag er een juten zak met wel honderd roze friemeltjes, niet groter dan een garnaal. Pasgeboren muisjes met doffe blauwe vlekken waar de oogjes moesten komen. De volgende dag waren ze verdwenen. Dries zei dat tante Marie de zak had uitgeschud in de sloot langs het voetbalveld. Dat ze heel langzaam waren gezonken en dat het kroos zich er overheen plooide tot er niets meer van te zien was.
Wim staat met zijn armen over elkaar voor de ladder en zegt: ‘Katten hebben negen levens en ze komen altijd op hun pootjes terecht.’ Dat weten we zelf ook wel. Wim legt altijd uit wat we al lang weten. Hij klimt houterig naar boven. We horen hem over de planken lopen, waardoor er stof uit de kieren valt. We gaan allemaal opzij staan langs de muur. Na een tijdje zien we zijn rode hoofd boven de rand van de zoldering uitsteken. We horen eigenlijk niets en toch ligt er op het beton voor onze voeten ineens een katje. Het is spierwit met donkere pootjes en het doet helemaal niets. Wim houdt een tweede katje omhoog. Het beestje maakt een salto over dwars en komt neer op de grond. We wachten tot de poesjes opstaan en weglopen, maar ze bewegen niet. De witte niet en de grijze ook niet. ‘Dit is de laatste,’ zegt Wim. We zien een rood katje vallen. Er liggen er nu drie. Ze staan niet op, ze gaan niet lopen. Ze proberen het niet eens.
Wim komt naar beneden. Twee grijze wollen sokken in sandalen, twee witte stakenbenen, een korte broek, een bloes met raceauto’s er op. We hurken om de katjes te bekijken. De pootjes liggen slap. De staartjes dun, oogjes dicht, een roze tongetje hangt naar buiten. Alles is klein aan deze katjes. Piepklein en doodstil. De deur gaat open. Het zonlicht verblindt ons. Tante Marie overziet de situatie. ‘Allemaal naar buiten! Jij ook!’ Dat is tegen Wim die nooit luistert omdat ze zijn moeder niet is maar zijn tante en daar luistert hij niet naar. Nu gaat hij zonder morren naar buiten. We staan in de hete zon op drie stappen van de schuurdeur en horen het geschraap van metaal over beton. Het blijft een hele tijd stil en dan komt tante Marie naar buiten met een emmer. Er ligt een juten zak in. Ze loopt om de schuur heen richting voetbalveld en verdwijnt uit ons gehoor.
We kijken vragend naar Wim, maar hij zit op de schommel in de schaduw van de perenboom en poetst zijn bril met een punt van zijn bloes. We denken; ‘Dit is nog niet voorbij, er gaat nog wat gebeuren. Dat moet gewoon.’
De kerkklok slaat drie keer. Het belletje van de buurvrouw tinkelt. Tante Marie komt terug met een lege emmer, die ze gaat staan schrobben voor het open keukenraam terwijl ze naar buiten kijkt. Ze tuurt over ons heen. Ze vraagt niets. Ze zegt niets. Het is heel verschrikkelijk warm.
Marjo
![]() |
Labyrintliteraire leeskringen
|
www.inhetlabyrint.nl |